Mood Treatment with Antidepressants or Running
Header

BNR Podcast: We bewegen nog steeds niet genoeg voor onze hersenen

February 21st, 2019 | Posted by Roxanne Van Oeveren in Algemeen | Publicatie op website | TV en radio - (Comments Off on BNR Podcast: We bewegen nog steeds niet genoeg voor onze hersenen)

Luister de Podcast ‘We bewegen nog steeds niet genoeg voor onze hersenen’ op BNR.

Donderdag 27 december 2018 – We bewegen nog steeds niet genoeg voor onze hersenen.

Professor Erik Scherder meent dat in 2018 lang niet genoeg mensen hun bewegingspatroon hebben aangepast. En dat terwijl bewegen zulke belangrijke voordelen heeft. Niet alleen voor onze gezondheid, spieren en stressverwerking, maar ook voor de hersenen. We zouden alleen wel een half uur per dag – aan één stuk door – onze hartslag moeten verhogen (wandelen, huishouden, traplopen, fietsen: het mag allemaal) om die cognitieve voordelen te ervaren.

Door: Karlijn Meinders

Werkt een daglichtlamp echt tegen depressie?

January 7th, 2019 | Posted by Roxanne Van Oeveren in Algemeen | Publicatie in krant - (Comments Off on Werkt een daglichtlamp echt tegen depressie?)

Bron: Volkskrant

4 januari 2019 – Antwoord op lezersvragen over gezondheid, voeding, leefstijl en psyche. Deze week: werkt een daglichtlamp tegen depressie?

Het lijkt een comfortabele manier om van je depressie af te komen. Elke dag een half uur voor een daglichtlamp zitten. Gewoon thuis aan de keukentafel. Met een beetje mazzel ga je je al na een week beter slapen, krijg je meer energie en verbetert je stemming, beloven de fabrikanten. Maar is dat zo?

Lichttherapie is bewezen effectief bij zowel winterdepressies als niet-seizoensgebonden depressies. Het effect is bescheiden, vergelijkbaar met dat van antidepressiva en gesprekstherapie. Het grote voordeel is dat er geen bijwerkingen zijn. Een beetje geïrriteerde ogen misschien, maar dat is tijdelijk. Sommige mensen worden enigszins misselijk als ze voor een lichtbron van 10 duizend lux zitten, ook dat duurt echter maar kort. Het gaat om licht zonder UV, voor de huid kan het dus geen kwaad.

Verschillende instellingen, zoals PsyQ en UMCG, bieden lichttherapie aan. Die instellingen zijn alleen op werkdagen geopend, terwijl de therapie beter werkt als de patiënt gedurende een aantal weken elke dag op hetzelfde tijdstip voor de lamp zit. Dat scheelt bovendien reistijd en alleen al om die reden is thuistherapie makkelijker vol te houden.

‘Wel moet de patiënt zeker weten dat hij of zij een depressie heeft en geen bipolaire stoornis’, waarschuwt biomedisch onderzoeker Babette Bais van het Erasmus MC. ‘Lichttherapie kan een switch naar manie oproepen.’ Ook moet de patiënt zich goed laten voorlichten, vindt Bais. ‘Dat je je ogen open moet houden bijvoorbeeld, want het werkt via je netvlies. En dat je de lamp vroeg in de ochtend moet gebruiken omdat het licht mogelijk de slaap verstoort als je er ’s middags voor gaat zitten.’

Bais rijdt heel Nederland door om daglichtlampen te installeren bij zwangere vrouwen met een depressie in het kader van haar Bright Up studie. ‘Depressie tijdens de zwangerschap komt best vaak voor. Zo’n 10 procent van de zwangere vrouwen krijgt te maken met depressieve klachten. Dat zijn zo’n 20 duizend vrouwen per jaar.’ Met medicatie beginnen, durven veel zwangere vrouwen niet aan. En het vinden van de juiste pil en de juiste dosering kost tijd. Voor gesprekstherapie geldt vaak een wachtlijst. ‘Terwijl je de vrouw juist zo snel mogelijk wilt helpen zodat het kindje er nog van kan profiteren. Want een depressie kan leiden tot ondergewicht of een vroeggeboorte’, aldus Bais.

En dus onderzoekt ze voor haar promotie wat de effecten van lichttherapie zijn bij zwangere vrouwen met een depressie. De eerste studies zagen er hoopvol uit, maar daar deden achtereenvolgens 10 en 27 vrouwen aan mee. Dat is te weinig om met zekerheid iets te kunnen zeggen. Bais hoopte dat aan haar studie zo’n 150 vrouwen mee zouden doen, maar dat worden er 80. Nieuwe aanmeldingen zijn nog welkom. ‘Het is een complexe groep om onderzoek mee te doen. Vrouwen schamen zich, dat ze niet op een roze wolk zitten. Vaak weet alleen hun partner dat ze met een depressie kampen. Veel zwangere vrouwen bagatelliseren hun klachten, ze merken wel dat ze down en moe zijn, maar willen dat geen depressie noemen. En iemand met een depressie heeft weinig energie en ziet er alleen al om die reden tegenop om aan een wetenschappelijke studie mee te doen.’

Hoe de lichttherapie werkt, staat niet helemaal vast. Waarschijnlijk geeft de enorme dosis wit licht, die via het netvlies de hersenen binnenkomt, signalen af aan de biologische klok in de hersenen die onder meer de pijnappelklier aanstuurt. Daar wordt het slaaphormoon melatonine geproduceerd. Ook zou het extra daglicht ingrijpen op de HPA-as in het brein die bij een depressie te veel cortisol aanmaakt. Al met al verbetert de biologische klok en daarmee de productie van hormonen, de stemming, de slaap, de concentratie en de energie.

Een wandeling met de lunch is natuurlijk ook goed voor het functioneren van de biologische klok, zegt Bais. ‘Mits het buiten lekker licht is. Maar daar scheelt het in deze tijd van het jaar vaak aan in Nederland.’

Door: Margreet Vermeulen

Verman jezelf (en andere dingen die je nooit tegen een depressieve dierbare moet zeggen)

December 11th, 2018 | Posted by Roxanne Van Oeveren in Algemeen | Publicatie in krant - (Comments Off on Verman jezelf (en andere dingen die je nooit tegen een depressieve dierbare moet zeggen))

Bron: Volkskrant

21 maart 2018 – Verman jezelf (en andere dingen die je nooit tegen een depressieve dierbare moet zeggen)

In Nederland krijgt bijna 20 procent van de volwassenen ooit in zijn leven te maken met een depressie. Wat doe je als het om je beste vriend gaat? Met rust laten, omdat hij dat vraagt? Of juist niet? En wat zeg je tegen je depressieve partner die zijn bed niet uit wil komen? Psycholoog Huub Buijssen schreef een handleiding: Als een dierbare depressief is.

‘Toen mijn vader op zijn 60ste dementie kreeg en depressief werd, zei hij tegen mijn moeder: pak de bijl en hak mijn hoofd eraf. Als partner heb je meteen de neiging in verzet te gaan. Wat zeg je nou? Je hebt mij toch? Of: zulke dingen zeg je niet waar de kinderen bij zijn! Stuk voor stuk impliciete verwijten die hard aankomen bij iemand met een depressie. Voor je het weet, draai je samen nog dieper de put in.’ Hoe steun je iemand van wie je houdt als die in een depressie raakt? Klinisch psycholoog Huub Buijssen weet uit eigen ervaring en als behandelaar hoe moeilijk dat is. Terwijl de juiste steun van een partner, moeder of vriend meer kan betekenen voor de patiënt dan de hulp van een behandelaar, benadrukt Buijssen. In zijn boek legt hij uit hoe je begripvol communiceert met iemand met een depressie.

Wat maakt het zo lastig goed contact te houden met een depressief iemand?

‘Het begint ermee dat je je bijna niet kunt voorstellen hoe het voelt om depressief te zijn als je het nooit hebt meegemaakt. Je vergelijkt het met hoe het is als je een sombere bui hebt. Daardoor ga je dingen zeggen als: verman je! Dat is alsof je tegen iemand met een gebroken been zegt: ren eens wat harder. Dan ga je voorbij aan wat een depressie is.’

Wat is de kern van een depressie?

‘Dat je bijna niks meer voelt, terwijl emoties – het woord zegt het al – een mens aanzetten tot beweging, actie. Als je dat tot je laat doordringen, snap je dat mensen met een depressie de wil om in beweging te komen kwijt zijn. Hun startmotor is stuk. Ze moeten aangeduwd worden, door hun omgeving.’

Mensen met een depressie slaan vaak alle hulp af.

‘Ze zijn ambivalent, zoals alle zieke mensen. Er is de neiging om je te terug te trekken, je hebt alle energie voor jezelf nodig als je ziek bent. Aan de andere kant heb je de ander hard nodig. Het is fijn om een gezicht te zien dat over de rand van de put kijkt. Ook al kun je geen dankbaarheid tonen, de belangstelling doet goed. Als je erg ziek bent, word je weer een beetje kind. Dat kind wil zelfstandig zijn, maar snakt tegelijkertijd naar aanraking, troost. Daarom hoor je de naasten vaak klagen: het is nooit goed wat ik doe. Mijn hulp wordt niet op prijs gesteld, maar als ik afstand neem, is het ook niet goed. Dat klopt. Als een depressief iemand zegt: laat me met rust, moet je dat niet te letterlijk nemen. Dat is een grote valkuil.’


WAT NIET TE ZEGGEN

– Zo erg is het toch niet.

– Er is licht aan het eind van de tunnel.

– Je weet dat dit ook weer overgaat.

– Zo is het nu eenmaal.

– Dit overkomt zoveel andere mensen.


Ligt het niet meer op het terrein van de behandelaar de patiënt te helpen en hem in beweging te krijgen?

‘Ook. Idealiter werkt de behandelaar samen met de omgeving van een patiënt. Maar een behandelaar ziet de patiënt maar een uur per week of per twee weken. Toen mijn broer een depressie kreeg, werd hij elke dag gebeld door een vriendin van hem. Ze bleef net zo lang aan de lijn tot mijn broer uit bed was. Daarvoor heb ik enorme bewondering, want dat kost veel moeite. En ‘s avonds belde ze weer. Een halfjaar lang. Als je dat doet, doe je meer dan een behandelaar kan doen. Toen ik in het psychiatrisch ziekenhuis werkte, was mijn slogan: de sleur sleurt je erdoorheen. Een gestructureerd dag- en nachtritme is essentieel. Vaste tijd opstaan. Vaste tijd naar bed. Vaste tijd eten. Dat kan een behandelaar wel zeggen, maar het is vaak de familie die de patiënt zover moet krijgen.’

Wat doe je als de zieke zegt dat hij zijn bed niet uit wil of niet naar buiten wil?

‘Dat is zó moeilijk, het goede evenwicht vinden. Vriendelijk pushen, zou ik zeggen. Niet betuttelen, niet dwingen maar ook niet opgeven. En dat zonder dat er irritatie in je stem doorklinkt. Want dat voelt iemand met een depressie haarfijn aan. Hij zal het zien als kritiek, waardoor hij verder in zijn schulp kruipt.’

Waar komt die irritatie en dat ongeduld bij de naasten vandaan?

‘Je verzet je tegen de depressie. Je wilt niet dat je naaste zo anders is dan voorheen. Je wilt terug naar hoe het was. En wel zo snel mogelijk. Dat is één. Je moet geduld hebben, maar je hebt geen idee hoelang het gaat duren. Ten slotte: depressieve gevoelens zijn besmettelijk. Je bent bang meegesleurd te worden in de negatieve stemming. Terecht. Als je met een depressief iemand samenleeft, heb je twee keer zo veel kans zelf ook een depressie te krijgen.’

Depressies roepen in de omgeving vaak boze gevoelens op. Hoe komt dat?

‘Boosheid is vaak een joker waar een heel andere emotie achter schuil gaat. Denk aan angst of schaamte of verdriet. De partner die boos is omdat hij alleen de kar moet trekken, is niet boos, maar wanhopig en eenzaam. Die denkt bij zichzelf: hoelang hou ik dit vol? En helaas, wij reageren ons altijd af op degenen van wie we weten dat die ons het laatst in de steek zullen laten, mensen die ons het dierbaarst zijn. Met als gevolg dat het overgrote deel van onze boosheid terechtkomt bij iemand die deze het minste verdient.’

Het is belangrijk het gesprek gaande te houden, schrijft u. Hoe doe je dat?

‘Praat over de dingen waarover je vroeger met elkaar sprak. Over de kinderen. Hoe het op het werk gaat. Het gesprek met elkaar is één van de ankers als je leeft met een depressie, ook al verloopt het stroever dan normaal. Als je niet meer praat, sluit je de ander buiten. Dan vergroot je de depressie. Je moet mensen erbij houden. De ziekte zelf is ook een belangrijk gespreksthema, niet in de vorm van moeilijke gesprekken, dat houdt de ander niet vol. Jijzelf ook niet. Maar je kunt wel vragen: wat kan ik voor je doen? En dingen aanbieden als: zullen we samen even de hond uitlaten?’


WAT WEL TE ZEGGEN

– Wat erg voor je.

– Ik ga proberen je erdoorheen te slepen.

– Reken op me. Vertel me wat ik moet doen.

– Ik hou van je.

– Dit kost tijd, veel tijd.


Waarom zijn ongevraagde adviezen taboe? En waarom mag je niet vragen: hoe gaat het met je?

‘Alle adviezen – ook de goedbedoelde – zijn dodelijk. Achter elk advies zit het idee: het kan anders, als je maar doet wat ik zeg. Als het makkelijk was, was het allang gebeurd. Als adviseur plaats je jezelf automatisch boven een ander. Ook funest. De beginvraag ‘hoe gaat het met je’ is een beleefdheidsfrase en wordt in 99 procent van de gevallen beantwoord met ‘goed’. Het is een clichévraag waaruit geen oprechte belangstelling blijkt. Het klinkt al heel anders als je het gesprek opent met een persoonlijke observatie: ‘Vorige week had je het heel moeilijk, hoe is het nú met je?’

U legt nogal wat verantwoordelijkheid bij naasten. Als zij het niet goed doen, verkleint dat de kans op herstel.

‘Een van de belangrijkste voorspellers voor een heropname in een GGZ-instelling wegens depressie, is de houding van naasten. Als de meest betrokken naaste erg kritisch is, zich vijandig opstelt en overdreven emotioneel reageert, is de kans groter dat de depressieve patiënt een nieuwe opname nodig heeft. Iedereen gaat weleens de fout in, we zijn nu eenmaal Onze Lieve Heer niet. Maar als je steevast zowel kritisch als vijandig als superemotioneel bent, is dat een probleem. Wat kan helpen, is onderscheid te maken tussen de depressie en de persoon. Het is het depressie die je hindert: niet de persoon zelf. Het is de depressie die iemand ertoe brengt te zeggen: laat me met rust. Dat is niet de wens van de persoon.’


VANGNET

Huub Buijssen (1953) is klinisch psycholoog, gezondheidszorgpsycholoog en psychogerontoloog. Al vroeg in zijn loopbaan besefte hij dat familie en vrienden van psychiatrische patiënten een belangrijke steun kunnen zijn. Hij schreef en redigeerde 41 boeken zoals De magische wereld van Alzheimer en De heldere eenvoud van dementie. Het zijn concrete handreikingen om de omgang met psychiatrische patiënten te verbeteren.


Maakt het verschil of de mantelzorger een man of een vrouw is?

‘Zeker. Mannen die voor een partner zorgen, hebben gemiddeld minder kans op een burn-out. Dat komt doordat ze meer waardering krijgen als ze hun zorgende rol serieus nemen. Verder streven ze minder naar perfectie en hebben ze minder last van schuldgevoel als ze tussendoor ook hun pleziertjes nastreven. Ze volgen als het ware de veiligheidsinstructies in het vliegtuig. Als de zuurstof wegvalt, moet je eerst je eigen zuurstofmasker opzetten en dan pas dat van je kind. Als je zelf niet overeind blijft, kun je onmogelijk voor de ander zorgen.’

Als een dierbare depressief is. Uitgever Spectrum

Door: Margreet Vermeulen

In onze samenleving ligt een depressie snel op de loer, hoe voorkom je dit?

November 22nd, 2018 | Posted by Roxanne Van Oeveren in Algemeen | Publicatie in krant - (Comments Off on In onze samenleving ligt een depressie snel op de loer, hoe voorkom je dit?)

Bron: Volkskrant

5 oktober 2018 – In onze samenleving ligt een depressie snel op de loer, hoe voorkom je dit?

Twee Britse schrijvers, beiden chronisch depressief en angstig, gaan elk in een boek op zoek naar oorzaken en oplossingen voor hun psychische sores. Waar de een het klein houdt – ‘elke tijd zijn eigen problemen’ – eindigt de ander bijkans bij de anti-psychiatrie. Maar hun wenken zijn nuttig.

De Britse schrijver Matt Haig is vierentwintig en vrolijk aan het lummelen op Ibiza als hij out of the blue door een depressie wordt overvallen. Een zware depressie. Binnen een paar dagen staat hij op een klif naast zijn vakantiehuis moed te verzamelen om zich eraf te gooien. Hij doet het niet en worstelt in plaats daarvan nog jaren depressief en angstig door. Met hulp van zijn vriendin krabbelt hij tenslotte overeind en begint aan zijn carrière als schrijver van succesvolle romans.


HOE KOM JE UIT BED?

1.Wakker worden.

2.Telefoon pakken.

3.72 minuten op je telefoon staren.

4.Zuchten.

5.Uit bed stappen.

Eventueel proberen, af en toe, fase twee tot en met vier over te slaan.

(Uit: Matt Haig: Planeet paranoia)


Pas in 2015, vijftien jaar na Ibiza, schrijft hij voor het eerst over deze zwarte periode in het autobiografische Redenen om te blijven leven. Het wordt in Engeland een instant bestseller en levert Haig een stortvloed aan reacties op van lezers die zich herkennen, troost zoeken of hem om raad vragen. In de hoop dat anderen wat aan zijn ervaringen hebben schrijft hij een tweede boek, Planeet Paranoia, over hoe hij in het dagelijks leven de altijd op de loer liggende depressies en angsten te snel af probeert te zijn.

Serotonine-tekort

De Britse journalist Johann Hari is 18 als hij begint met het slikken van antidepressiva, na al vanaf zijn prille jeugd geplaagd te zijn door niet te stelpen huilbuien en sombere gevoelens. De dokter die hij op zijn 18de bezoekt, vertelt hem dat het om een gebrek aan evenwicht in de hersenen gaat, een tekort aan serotonine dat met het juiste medicijn te verhelpen valt. Hari is 31 als hij met de medicatie ophoudt, omdat zijn depressies met iedere hogere dosering, steeds wel even bedaren, maar nooit blijvend.

Hij komt tot de conclusie dat het simpele serotonine-verhaal van de dokters zwaar tekortschiet en gaat op zoek naar de echte oorzaken van depressies. Met dat doel reist hij drie jaar lang zo’n zestigduizend kilometer over de hele wereld om vooraanstaande wetenschappers en patiënten te interviewen. In Verbinding verbroken laat hij zien wat de zoektocht hem heeft opgeleverd en geeft hij aanbevelingen voor een levenswijze die depressies minder kans zou geven.

Twee Britse schrijvers, beiden chronisch depressief en angstig, beiden ongevoelig voor medicatie, beiden op zoek naar maatregelen die de kans op depressies verkleinen. En toch twee totaal verschillende boeken.

Depressieliteratuur

Wat de boeken nog bindt is dat ze een nieuwe trend in de depressieliteratuur lijken aan te geven. Beide schrijvers zoomen niet in op de ellende die je tijdens een depressie doormaakt (zoals Hari opmerkt: ‘Dankzij de mensen die dat taboe decennia geleden hebben doorbroken, hoef ik niet ook zo’n boek te schrijven’) maar op de aanleidingen en oorzaken. En beiden kijken daarbij naar de veranderingen in de samenleving die ze als een prima kweekbodem beschouwen voor burn-outs, angsten en depressies.

De zorg dat veel van die veranderingen niet per se goed zijn voor ons geestelijk welzijn wordt vrij algemeen gedeeld. Haig doet een greep uit het soort recente krantenkoppen waarmee we inmiddels allemaal vertrouwd zijn: ‘Waarom reizen zelfmoordcijfers overal ter wereld de pan uit?’, ‘Zorgwekkend meer mensen slikken pillen tegen stress’, Instagram slechtste app voor geestelijke gezondheid van jongeren’, ‘Krijgen we allemaal ADHD van internet?’, ‘Chronische eenzaamheid een epidemie van deze tijd’.

Voeg aan die toegenomen onrust toe dat medicatie tegen stress, angsten en depressies steeds meer onder vuur zijn komen te liggen omdat hun effectiviteit te wensen overlaat, en dat de bezuinigingen in de zorg langdurige therapie tot een luxevoorziening met lange wachttijden maken, en je komt vanzelf op het punt waarop beide schrijvers aanlanden: wat kan ik zelf doen om te voorkomen dat de stress me (opnieuw) mee de afgrond intrekt? In het antwoord op die vraag scheiden hun wegen.

Rust in het hoofd

Haig blijft dicht bij zijn eigen ervaringen. In een afwisseling van korte, onafhankelijke hoofdstukjes en lijstjes schetst hij hoe de moderne westerse wereld het voor hem lastig maakt om de rust in zijn hoofd te bewaren. De grootste boosdoener in het verhaal is de overvloed aan informatie die ongevraagd op ons afkomt: de voortdurende nieuwsupdates; de stortvloed aan reclameboodschappen die ons een slecht gevoel over onszelf aanpraten (je bent pas mooi, slank, vitaal en gelukkig als je ons product aanschaft); de mogelijkheid te allen tijde films en series te bekijken, ook als je al lang in bed had moeten liggen (zoals de baas van Netflix ooit zei: niet andere streamingsdiensten zijn de belangrijkste concurrenten van Netflix, maar slaap); en natuurlijk de sociale media.

Het internet, dat zich als een zenuwnet over de hele wereld uitspreidt en iedereen met elkaar verbindt, is voor Haig een van de belangrijkste triggers die de onrust in zijn hoofd naar de rand drijven. En toch, laten ook zijn lijstjes zien, kan hij er maar moeilijk van wegblijven. In het lijstje met de titel ‘Wat ik op internet minder zou moeten doen’ staan rusteloze gewoontes als ‘mijn lijst van binnengekomen tweets aflopen in plaats van te ontbijten’, ‘mijn eigen naam googlen’, ‘checken hoe een tweet/foto/statusupdate het doet’, ‘ziektesymptomen en zelfdiagnoses googlen’ en vooral ‘offline willen gaan maar het niet doen’.

De opzet van Planeet Paranoia lijkt met zijn van de hak op de tak springende teksten, gedachtespinsels en tips in eerste instantie chaotisch, maar dat valt mee. Behalve dat het boek gemakkelijk leest, geven de teksten bij elkaar een aardig beeld van een wereld die in een stroomversnelling is geraakt en van het effect daarvan op mensen die, zoals Haig, rust nodig hebben om depressies op afstand te houden. Haig streeft niet naar algemene geldigheid van wat hij schrijft. Hij wijst ook niet naar de huidige samenleving als dramatisch beroerder georganiseerd dan die in vroegere tijden. Andere tijden, andere problemen. De intentie van zijn boek schuilt vooral in het besef dat het feit dat ‘elke generatie strijd levert met zijn eigen specifieke problemen, niet betekent dat we lijdzaam achterover kunnen leunen als het om onze eigen cultuur gaat. En het is geweldig – bevrijdend – dat als onze angst deels een product van onze cultuur is, we er ook iets aan kunnen veranderen door onze reactie op die cultuur te veranderen.’

Essentiële verbindingen

De inzet van Hari’s boek is aanzienlijk ambitieuzer. Op zoek naar de ‘ware oorzaken van depressie’, zoals de ondertitel van zijn boek belooft, vindt hij een aantal voor de mens essentiële verbindingen – met een gemeenschap, met de natuur, met zinvol werk, met zinvolle waarden, met gelijkheid – die in de moderne tijd verbroken zijn. Herstel je die verbindingen, aldus Hari, dan neem je de voedingsbodem voor depressies weg en heb je geen antidepressiva meer nodig.

Zijn zoektocht naar bewijzen voor zijn stelling brengt hem over de hele wereld en dat levert soms mooie verhalen op. Zoals het verhaal van de vereenzaamde, aan een rolstoel gebonden Turkse vrouw in de Berlijnse achterstandswijk Kotti. Op een dag plakt ze een briefje op haar raam met de tekst dat ze een einde aan haar leven gaat maken voordat een week later de deurwaarders haar opgelopen huurschuld komen opeisen. Het briefje zet een reeks gebeurtenissen in gang. Er kloppen voor het eerst mensen bij haar aan, er worden acties georganiseerd om tegen de veel te hoge huren te protesteren, buren die elkaar eerder nooit spraken houden twee aan twee de wacht bij blokkades, de huur wordt aan banden gelegd en de vrouw voelt zich zo gesteund dat ze geen zelfmoord pleegt.

‘Vóór de acties,’ vertelt een buurtgenoot, ‘waren veel mensen depressief. Ze zonderden zich af…. zwaar depressief. Onder de medicijnen… Maar door die acties werden ze weer heel politiek bewust. Het was een soort therapie voor ons.’

De ware oorzaken?

Hari vertelt geen onzin over de maatschappelijke factoren die een rol kunnen spelen bij het wegzinken in een depressie. En hij zet ze, gesteund door voorbeelden en onderzoek, overtuigend op een rij. Niemand zal ook ontkennen dat factoren als eenzaamheid, verlies van werk, een gebrek aan toekomstperspectief, het voortdurend najagen van statusverhoging en materiële zaken een funeste uitwerking kunnen hebben op ons mentale evenwicht.

Maar zijn ze ook, zoals hij claimt, de ‘ware oorzaken’ van depressie? Hari schuift biologische factoren niet volledig terzijde: ‘Het is dwaasheid om te beweren dat depressie en angst geen biologische component kennen’, maar hij maakt ze ondergeschikt aan de maatschappelijke factoren die naar zijn idee tot dusver te veel gebagatelliseerd zijn: ‘Omdat we het probleem nooit correct hebben geformuleerd, hebben we tot dusver steeds gebrekkige oplossingen gevonden.’ Met dit soort stelligheid doet hij niet alleen psychiaters onrecht – die impliciet in zijn verhaal allemaal met oogkleppen op achter het serotonine-verhaal aanhollen – maar toont hij ook weinig historisch besef.

Vanaf de vroege geschiedenis van de psychiatrie is er geen periode geweest waarin niet erkend werd dat zowel biologische als psychologische en maatschappelijke factoren als oorzaak van depressies aan te merken zijn. Het benadrukken van één van die factoren, het zij de biologische, hetzij de maatschappelijke, is keer op keer op een teleurstelling uitgelopen. Dat geldt op het moment voor de antidepressiva, waar de afgelopen decennia veel van verwacht werd. Die verwachtingen zijn niet waargemaakt en in die zin volgt Hari met zijn verhaal de tijdgeest. Maar door depressies voor te stellen als een gezonde reactie op een zieke samenleving begeeft hij zich op terrein dat in de jaren zestig van de vorige eeuw opgang deed, doorgaans aangeduid met de term anti-psychiatrie, en die niet minder op een teleurstelling uitliep.


CHEMISCHE ONBALANS

Ik zou de jongen die ik was willen vertellen:

‘We zijn heel slecht geworden in het voldoen aan psychologische behoeften, en dat is een cruciale reden waarom jij – en zoveel mensen in je omgeving – angstig en depressief zijn. Je lijdt niet aan een chemische onbalans in je brein. Je lijdt aan een sociale en spirituele onbalans in onze manier van leven. Veel meer dan je tot nu toe is verteld: het ligt niet aan je serotonine, het ligt aan de samenleving. Biologische aanleg kan je verdriet versterken, dat is zeker zo. Maar het is niet de oorzaak. Het is niet de plek om te zoeken naar de voornaamste verklaring, of de voornaamste oplossing’

(Uit: Johann Hari: Verbinding verbroken)


Trial en error

Hari lost met zijn drie jaar durende zoektocht naar de oorzaken van depressies niet op wat de psychiatrie al eeuwen bezighoudt en nog nooit tot eenduidige antwoorden geleid heeft. Zoals de Utrechtse hoogleraar psychiatrie Jim van Os onlangs zei in een interview met de Volkskrant over de psychiatrie: ‘Het is een mooi vak, maar we moeten bescheiden zijn. Wat de wetenschap ons leert, is dat patiënten vooral veel baat hebben bij een goede relatie met hun behandelaar. Voor de rest is het vooral trial en error.’

Hari’s zoektocht naar de ware oorzaken van zijn depressies en Haigs nuchtere ‘andere tijden, andere problemen’, lijken haaks op elkaar te staan. Maar als het aankomt op wat ze in hun eigen leven doen om het hoofd boven water te houden in turbulente tijden zijn ze opmerkelijke eensgezind: gebruik van sociale media verminderen, meer tijd doorbrengen met vrienden en familie, minder tijd en aandacht besteden aan, zoals Hari schrijft ‘het opkrikken van mijn ego door te streven naar materiële bezittingen en een superieure status’, vaker de natuur in, reclameboodschappen mijden, mediteren en, meer algemeen, triggers vermijden waarvan je weet dat je er gedeprimeerd van raakt.

Het zijn geen oplossingen, en ook geen aanbevelingen waar je zelf niet op kunt komen. Maar door het allemaal op een rij zetten kunnen beide boeken mensen in vergelijkbare omstandigheden net dat duwtje in de rug geven dat ze nodig hebben.

Door: Ranne Hovius 

Je clicks, swipes en tikgedrag kunnen een depressie voorspellen, zegt deze neurowetenschapper

October 8th, 2018 | Posted by Roxanne Van Oeveren in Algemeen | Publicatie in krant - (Comments Off on Je clicks, swipes en tikgedrag kunnen een depressie voorspellen, zegt deze neurowetenschapper)

Bron: Volkskrant

5 oktober 2018 – Je clicks, swipes en tikgedrag kunnen een depressie voorspellen, zegt deze neurowetenschapper

INTERVIEW TOM INSEL

Decennialang zocht psychiater en neurowetenschapper Tom Insel naar de biologische oorzaken van depressies. Tevergeefs. Nu gooit hij het over een andere boeg: hij ontdekte dat de manier waarop smartphonegebruikers klikken en swipen van alles verraadt over hun geestelijk welzijn. Soms meer dan ze zelf weten.

‘Wat ik even fascinerend als ironisch vind is dat we jarenlang heel veel geld hebben uitgegeven aan allerlei technieken om objectieve maatstaven te vinden voor psychische ziekten en dat we nu uitkomen op een apparaat dat iedereen al in zijn broekzak heeft.’ Neurowetenschapper Insel heeft het uiteraard over de smartphone, een apparaat met twee gezichten.

Waar het tegenwoordig bijna altijd gaat om de nadelige invloed van het veelvuldige gebruik, ziet Insel de smartphone ook als een oplossing voor een aantal hardnekkige problemen. Op een leeftijd dat de meeste mensen met pensioen gaan, begon de Amerikaan – nu 66 – vorig jaar een startup.

Insel is namelijk nog lang niet klaar. Met zijn bedrijf Mindstrong hoopt hij een app te kunnen ontwikkelen die mensen met psychische aandoeningen kan helpen door ze vroegtijdig te waarschuwen. De app moet eerder zien dat er een verandering op til is dan de patiënt zelf. Die belofte is nogal wat, dat weet Insel als geen ander. Hij is niet een van de vele techjongens uit Silicon Valley die met hun ongebreidelde geloof in technologie wel even denken een oplossing te hebben voor problemen die al tijden spelen. Nee, Insel was dertien jaar lang directeur van het National Institute of Mental Health, in Bethesda, Maryland. Hij schreef een reeks boeken over neurobiologie en obsessief-compulsieve stoornissen, maar werd vooral bekend door zijn onderzoek naar oxytocine, het ‘knuffelhormoon’ dat een belangrijke rol speelt bij de vorming van menselijke relaties en onderlinge aantrekkingskracht.

In 2015 stapte Insel nogal onverwachts over naar Verily, Google’s zusterbedrijf dat zich bezighoudt met gezondheidstechnologie. Verily staat daarin bepaald niet alleen: heel Silicon Valley heeft een meer dan normale belangstelling voor alles wat met gezondheid heeft te maken. De belofte is telkens: de mens wordt gezonder met dank aan constant metende gadgets en kunstmatige intelligentie. Verily is in deze wereld een van de beste plekken om te zitten, zou je denken. Maar Insel hield het na nog geen twee jaar voor gezien.

Waarom ging u zo snel weg bij Verily?

‘Verily houdt zich bezig met healthtech in de breedste zin des woords. Van kanker tot hartfalen, een heel arsenaal aan aandoeningen. Geestelijke gezondheid is daar slechts een van de vele onderdelen. Ik wil me specifiek op dat onderwerp richten en er producten voor ontwikkelen. Een eigen bedrijf met een eigen team geeft me die mogelijkheid.’

Wat wilt u precies met Mindstrong?

‘Ons doel is gezondheidszorg te bieden die gebaseerd is op metingen en data. Heel lang was de hoop objectieve maatstaven te vinden om mentale aandoeningen te meten. Biomarkers noemen we die. Maar in tegenstelling tot bijvoorbeeld bij diabetes is dat niet gelukt. Voor psychose, depressie of angst hebben we simpelweg geen objectieve maatstaven gevonden, zoals suikerwaarden in het bloed. Mindstrong is opgezet om dat soort biomarkers toch op te sporen. Maar dan niet door een patiënt in een MRI-scanner te leggen of bloed af te nemen. Nee, het gaat om een heel ander soort: digitale biomarkers. Ik ben ervan overtuigd dat die de kwaliteit van de zorg gaan verbeteren.’

Dat is nogal een breuk met uw verleden, waarin u zich intensief bezighield met het zoeken naar biologische biomarkers. Zit deze zoektocht op een dood spoor?

‘Het is heel moeilijk gebleken via scans of genetica bruikbare signalen te vinden. Niet dat we het niet geprobeerd hebben, o nee. We hebben de afgelopen dertig jaar geprobeerd biomarkers te vinden die gebaseerd zijn op bloed of MRI-scans. Dat heeft weinig opgeleverd waar de individuele patiënt wat aan heeft. Bovendien maken dat soort scans de zorg uiteindelijk duurder en dus minder toegankelijk. Aandoeningen als depressie zijn niet te linken aan een enkel gen of hersengebied; het is een complex netwerk. Maar uiteindelijk komt zo’n aandoening tot uitdrukking in gedrag. Om die ziektes beter te begrijpen, moeten we het gedrag van individuen dus beter begrijpen. De smartphone biedt daarvoor een uitkomst.’


NEDERLANDSE PSYCHO-APPS

Ook in Nederland ontwikkelen onderzoekers apps die gegevens verzamelen en zo moeten helpen bij het reduceren van psychische problemen. Voorbeelden zijn de apps ‘Hoofdzaken’ en ‘Psymate’, beide uit de koker van de vakgroepen Psychiatrie en Psychologie van het UMC Utrecht en Maastricht UMC. Jim van Os, hoogleraar bij deze laatste instelling, ziet de apps als handvatten voor mensen die kwakkelen met hun geestelijke gezondheid. De apps werken anders dan Mindstrong: gebruikers krijgen op gezette tijden het verzoek zelf hun stemming en activiteiten in te vullen. Dit digitale dagboek moet zo helpen gedrag beter te sturen door op bepaalde situaties te anticiperen of die juist te vermijden.


Mogelijk een nieuwe oorzaak van depressie ontdekt

August 7th, 2018 | Posted by Roxanne Van Oeveren in Algemeen - (Comments Off on Mogelijk een nieuwe oorzaak van depressie ontdekt)

Bron: Scientias

1 augustus 2018 – Mogelijk een nieuwe oorzaak van depressie ontdekt

Duur en ernst van depressie lijkt samen te hangen met een tekort aan één stofje in het bloed.

Het gaat om het stofje genaamd acetyl-L-carnitine. Dit stofje wordt van nature in het lichaam geproduceerd. Maar nieuw onderzoek wijst nu uit dat een tekort aan dit stofje zou kunnen leiden tot depressies. Acetyl-L-carnitine is als voedingssupplement gewoon verkrijgbaar in de drogist.

DEPRESSIE

Depressie is de meest voorkomende stemmingsstoornis in de wereld. Het is de nummer 1 reden voor verzuim op het werk en ook een van de belangrijkste oorzaken van zelfmoord. Op dit moment lijdt zo’n 8 tot 10 procent van de bevolking aan een depressie. Daarnaast zal 1 op de 4 de aandoening ergens in zijn of haar leven tegen gaan komen.

Studie
Voor de studie werden mannen en vrouwen tussen de 20 en 70 jaar verzameld, bij wie de diagnose depressie was vastgesteld. Hen werd gevraagd gedetailleerde vragenlijsten in te vullen, maar ze werden ook klinisch onderzocht. Hun bloed werd afgenomen en hun medische geschiedenis werd nagelopen. Hieruit leek dat achtentwintig personen een matige depressie hadden en drieënveertig een ernstige.

Acetyl-L-carnitine
De bloedmonsters werden vergeleken met vijfenveertig gezonde mensen. En hieruit bleek dat de acetyl-L-carnitine-niveaus van de depressieve patiënten aanzienlijk lager waren. De laagste waardes werden aangetroffen bij de mensen die aan ernstige depressie lijden. Ook waren de acetyl-L-carnitine-levels lager bij patiënten die in hun verleden te maken hadden gehad met misbruik, verwaarlozing, armoede of geweld.

Behandeling
De huidige behandelingen van een depressie met medicijnen werkt maar voor ongeveer de helft van de mensen bij wie ze zijn voorgeschreven. “Daarnaast hebben ze ook nog eens talloze bijwerkingen,” zegt onderzoeker Natalie Rasgon. In een eerder knaagdierenexperiment werd een tekort aan acetyl-L-carnitine al geassocieerd met depressie-achtig gedrag. Toediening van acetyl-L-carnitine veranderende de symptomen van de dieren en herstelde hun normale gedrag.

Drogist
Hoewel Acetyl-L-carnitine gewoon te koop is bij drogisterijen en supermarkten, waarschuwen de onderzoekers mensen met een depressie nu niet gelijk naar de winkel te rennen. “Dit is niet de eerste keer dat voedingssupplementen worden aangeprezen tegen verschillende kwalen, maar uiteindelijk niet lijken te werken,” zegt Rasgon. “We hebben een belangrijke nieuwe marker voor depressie ontdekt. Maar we hebben op dit moment nog niet getest of het aanvullen van deze stof de patiënt ook echt beter maakt. Wat is bijvoorbeeld de juiste dosis, hoelang moet de patiënt het gebruiken? Er zijn nog veel vragen te beantwoorden.”

Toch is dit hoopvol nieuws. Volgens de onderzoekers is dit een eerste stap in de richting van het ontwikkelen van een nieuwe klasse antidepressiva, die minder bijwerkingen hebben en ook sneller werken dan de medicijnen die nu worden gebruikt.

 

Ouderen genezen minder snel van een depressie dan jongeren

June 12th, 2018 | Posted by Roxanne Van Oeveren in Algemeen - (Comments Off on Ouderen genezen minder snel van een depressie dan jongeren)

Bron: trouw 

8 juni 2018 – Hoe ouder je bent, hoe slechter je geneest van een depressie. Na twee jaar is twee op de drie jongeren van zijn depressie af, bij veertigplussers is dat slechts de helft. 

Dat concluderen wetenschappers van het VUmc – sinds gisteren met het AMC gefuseerd tot het nieuwe Amsterdam UMC – in een eerste uitgebreide studie naar het effect van leeftijd op het beloop van de ziekte.

In de studie, vandaag verschenen in medisch vakblad The Lancet Psychiatry, volgden zij twee jaar lang zo’n duizend patiënten in de leeftijd van 18 tot 88. Zij bekeken het verloop. Zo peilden ze de ernst van de klachten op verschillende momenten en keken ze hoe vaak depressies chronisch leken.

Het grootste verschil zat tussen de jongste (tot dertig) en de oudste groep (vanaf zeventig). Bij zeventigplussers had een depressie vaker dan bij jongeren een chronisch karakter, dat wil zeggen dat zij ten minste driekwart van de tijd met de klachten kampten.

Volgens Roxanne Schaakxs, één van de vijf onderzoekers, zijn deze verschillen in leeftijd voor het eerst  in detail in kaart gebracht. Het verband bleek lineair: als je ouder wordt, ongeveer vanaf veertig jaar, wordt het lastiger om van een depressie te herstellen. De klachten zijn soms lichter, maar houden wel langer aan.

Concrete oorzaak

De vraag is natuurlijk hoe dat komt. Vooraf kon Schaakxs van alles opnoemen. Eenzaamheid misschien? Fysieke ongemakken? Chronische ziektes waarvan ouderen misschien meer last hebben? De wetenschappers betrokken al die verschijnselen in hun analyses. Maar die bleken de verschillen tussen jongeren en ouderen met een depressie niet te verklaren.

Schaakxs: “Wij vonden het vreemd dat we geen concrete oorzaak konden vinden. Dat kan erop wijzen dat depressie als ziekte bij het ouder worden een andere vorm krijgt, waarbij standaardbehandelingen minder goed kunnen werken.”

Schaakxs en haar collega’s hebben niet onderzocht of cognitieve achteruitgang misschien een rol speelt. “Het kan zijn dat mensen, naarmate zij ouder worden, de behandelingen minder goed begrijpen en daardoor ook minder snel herstellen. Ik kan natuurlijk alleen maar gissen, maar dat zou een verklaring kunnen zijn.”

Oudere mensen met een depressieve stoornis worden nu vaak op dezelfde manier behandeld als jongeren. Dat werkt niet goed, vindt Schaakxs. “Behandeling van depressies moet beter op leeftijd worden afgestemd. Ouderen hebben vanaf het begin een intensievere behandeling nodig, omdat je al kunt voorspellen dat zij minder snel genezen.”

Grootschalig onderzoek wijst uit: Antidepressiva effectief bij behandelen depressie

May 9th, 2018 | Posted by Roxanne Van Oeveren in Algemeen - (Comments Off on Grootschalig onderzoek wijst uit: Antidepressiva effectief bij behandelen depressie)

Bron: NOS

8 mei 2018 – Antidepressiva werken bij het behandelen van een depressie. Dat is de conclusie van een grootschalig Brits onderzoek, waarbij data over meer dan honderdduizend patiënten bij elkaar is gebracht. Met het onderzoek aan de Universiteit van Oxford willen de wetenschappers misverstanden rond antidepressiva de wereld uit helpen, aldus de NOS.

Want twijfels zijn er genoeg. Zo schreef epidemioloog Dick Bijl twee jaar geleden dat 98 procent van de miljoen Nederlanders die antidepressiva gebruiken, daar geen baat bij heeft. Mensen zouden verslaafd raken aan het middel, en afgestompt raken.

Psychiater Christiaan Vinkers van het UMC Utrecht Hersencentrum schreef eerder een boek waarmee hij het gebruik van antidepressiva uit het verdomhoekje wil halen, en is blij met de uitkomsten van het Britse onderzoek.

“Het bekrachtigt eigenlijk wat we al weten: dat antidepressiva beter werken dan een placebo”, vertelt hij, “maar nu is het na uitgebreid onderzoek bevestigd.” Het is onterecht dat antidepressiva een slecht imago hebben, vindt hij. “Ik vind dat we ongelofelijk blij mogen zijn met het feit dat dit middel er is, ook al werkt het niet voor iedereen.”

Placebo

In het onderzoek wordt het effect van antidepressiva vergeleken met dat van een nepmedicijn, een zogenoemd placebo. Ook werden verschillende varianten van het geneesmiddel met elkaar vergeleken. Eén van die middelen is Prozac, het bekendste antidepressivum.

“Het ene antidepressivum werkt beter dan het andere”, zegt Vinkers. “Ze verschillen in effectiviteit en bijwerkingen.” Gemiddeld bleek wel dat het gebruik van antidepressiva een positief effect heeft op de mentale gesteldheid van mensen met een depressie.

MIND Blue Monday Run

December 28th, 2017 | Posted by Suzanne Limpens in Algemeen - (Comments Off on MIND Blue Monday Run)

Op maandag 15 januari 2018 is het Blue Monday. Op die dag organiseert Eleanor van Loop Depressievrij de MIND Blue Monday Run in Amelisweerd in Utrecht. Deze run is een sponsorloop voor MIND Blue. Deelnemers kunnen zich inschrijven voor twee afstanden: 5 km of 10 km.

Met de run wil initiatiefneemster Eleanor depressiviteit bespreekbaar maken en mensen inspireren om elkaar te helpen. Daarnaast is het doel van de run om geld op te halen voor het uitbreiden en verder ontwikkelen van de supportgroepen van de Depressie Vereniging. Op dit moment zijn er al bijna 60 supportgroepen in Nederland. De Depressie Vereniging heeft als streven om mensen met een depressie in contact te brengen met anderen, door een netwerk aan te bieden van supportgroepen. Zo’n supportgroep komt regelmatig bijeen, ongeveer één keer per maand. Gemiddeld zitten er zes mensen in een groep. Groepsleden vertellen elkaar in de groep hoe zij leven met hun depressie, onderling kunnen tips uitgewisseld worden en zijn mensen er om elkaar te ondersteunen.

Om deze supportgroepen te laten bestaan en uit te kunnen breiden, is geld nodig. Met jouw bijdrage (door mee te lopen of te doneren) kun je mensen met een depressie steunen.

 

Praktische info

– Locatie: HU Utrecht, Bolognalaan 101, 3584CJ Utrecht

– Datum: 15 januari 2018

– Tijdstip: 10:00 uur

– Afstanden: 5 en 10 km

 

Wil je meedoen? Ga dan naar https://www.doemeemetmind.nl/project/mind-blue-monday-run-utrecht. Klik op ‘start actie’, kies je afstand en maak je eigen pagina aan!

Fysieke activiteit van kinderen en de relatie met depressie

April 7th, 2017 | Posted by Marieke Eg in Algemeen - (Comments Off on Fysieke activiteit van kinderen en de relatie met depressie)

Met de MOTAR studie wordt onderzocht of running therapie een geschikte therapie is bij depressie. Er is namelijk eerder aangetoond dat er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid fysieke activiteit en depressieve symptomen bij volwassenen. Maar depressie kan ook voorkomen bij kinderen en jongeren.
In een recent onderzoek gepubliceerd in januari van dit jaar, is gekeken naar de relatie tussen fysieke activiteit en depressieve symptomen bij kinderen. Ze hebben hierbij niet alleen gekeken naar forse fysieke activiteit zoals hardlopen of fietsen, maar ook naar middelmatige activiteit zoals wandelen met de hond of dansen. De dagelijkse activiteit van bijna 800 kinderen hebben de onderzoekers gemeten met een bewegingsmeter. Om depressieve symptomen te kunnen meten hebben ze gebruik gemaakt van een semigestructureerd klinisch interview. Het eerste meetmoment was op 6-jarige leeftijd, het tweede meetmoment op 8-jarige leeftijd en de laatste meting vond plaats op 10-jarige leeftijd.
De onderzoekers vonden dat meer beweging (dus een hogere matige en forse fysieke activiteit) minder depressieve symptomen voorspelt voor 2 jaar later. Sedentair gedrag zoals zitten voorspelt echter geen depressie. Wel kan het toenemen van de dagelijkse activiteit van kinderen helpen om depressie bij kinderen te voorkomen of te behandelen. Echter is verder onderzoek nodig om deze resultaten te bekrachtigen.

Zahl, T., Steinsbekk, S., & Wichstrøm, L. (2017). Physical Activity, Sedentary Behavior, and Symptoms of Major Depression in Middle Childhood. Pediatrics, e20161711.